“If only you writers would leave out plots and give us just your daily life and the people. (…) What people want is atmosphere. Give us air, fragance, sunlight, storm.” Beatrice Chase (Through a Dartmoor Window, 1917, Longmans, Green and co)
Hoe zou ik kunnen vertellen over poezen in maanlicht, tikkende regendruppels op daken, honden naast mensenbenen? Hoe zou ik kunnen vertellen over mijn fascinatie voor de kleinste kleine dingen die samen het leven zijn? Een appel schillen, iemand een hand geven. Pianomuziek uit een openstaand raam, klaterende kinderstemmen tussen hoge bomen. De glimlach van een onbekende, de broosheid van oude bloemen.
Hoe zou ik kunnen vertellen over het onbegrijpelijke dat eigenlijk geen woorden kent?
Overal in Europa ging ik op zoek naar ‘kokende moeders’ aan het haardvuur of fornuis. Het was daar stil. Je hoorde het tikken van de klok, het knippen van een schaar of het zingen van een ketel. Ze rolden deeg, sneden brood, dekten elke dag de tafel met een kleed. Er gebeurde ‘niets’.
Al die korte, indrukwekkende ontmoetingen met mensen overal! Nog voel ik de ontroering als ik denk aan Mrs Mary Smith in haar hemelsblauwe schort. Of Frau Wegeler die leefde in de witte stilte van een Oostenrijkse berg. Ook de ontmoeting met het dier staat nog groot in mijn geheugen. De stokoude schaapshond van Donald en de argeloze kip die Madame Mauriac van het erf plukte voor de ‘Poule au Pot’...
Herinneringen, ontmoetingen, ervaringen. Ze gingen voorbij het woord, maar ze verschenen als reportages in allerlei nationale en internationale tijdschriften. Op dit moment werk ik nog steeds met plezier in de tijdschriftenwereld; al meer dan tien jaar als hoofdredacteur bij een grote internationale uitgever van vakinformatie. Nog steeds zijn het de mensen, hun ‘alledaagse’ levens en verhalen, die me betoveren en verwonderen.
En ook ik heb mijn levensverhaal vol gebeurtenissen. Niet alleen de lichte, maar ook de donkere. Een periode was mijn fascinatie voor het kleine zelfs begraven in een aarde van verdriet. Toch was het een gele krokus die mij op een dag weer naar boven trok.
Drie jaar geleden stierf mijn geliefde hond Koen. Het was een grote gebeurtenis en veel aangrijpender dan ik ooit had kunnen denken. Die nacht van 31 januari 2004 kreeg ik een droom, die stormachtige winternacht was het begin van mijn eigen uitgeverij. Er volgden meer dromen en vooral daden. De blijdschap waarmee ik mijn droom leef, is groot en vrij. Hij leidt tot nieuwe ontmoetingen, nieuwe schrijvers en nieuwe verhalen. Inmiddels werk ik met verschillende auteurs aan nieuwe titels, zoals Vogelkind van Reinhart Brandau uit Worpswede. In de kern hebben ze veel met elkaar gemeen: het zijn verhalen over de wonderen van het alledaagse leven. Dat mysterieuze leven waar we met zijn allen, mens en dier, middenin staan.
Josephine Veering, voorjaar 2007
“Sometimes I would look into the kitchen and see her reading a cookbook while she stood over the stove, her long yellow braid over her shoulders like a scarf, and I would have to look away from emotion. Such an ordinary sight, a woman stirring a pot.” Anne Michaels (Fugitive Pieces, 1998, Bloomsbury)